| [ # ] Waarom domineert email nog steeds als kennisdelingsmiddel, part 2 |
ericbun
April 2nd, 2008
Artikelen
|
Dit gast-artikel is geschreven door Jeroen Klooster. Eric heeft het aangebracht en aangepast aan kc.nl
Na de enthousiaste reacties op het eerdere artikel van Eric Bun over collaboratiesoftware ben ik in de literatuur gedoken en heb ik een aantal mogelijke onderliggende factoren van de acceptatie van collaboratiesoftware geïdentificeerd. Interessant is natuurlijk om te weten waarom sommige bedrijven en organisaties het wel lukt om collaboratiesoftware succesvol te implementeren en andere niet. Daarom heb ik het volgende model opgesteld om dit te onderzoeken, om zo inzichten te creëren voor het verbeteren van deze acceptatiegraad in organisaties. Verderop in dit artikel stip ik al de onderliggende factoren even aan en waarom deze factoren een invloed hebben op de acceptatiegraad van collaboratiesoftware. Graag discussieer ik samen met kc.nl over de toepasbaarheid van dit model.

De factoren die van invloed zijn op de acceptatiegraad van colloboratiesoftware
Individuele karakteristieken
Technology readiness: de mate waarin een individu bereid is om technologie te gebruiken om doelen te verwezenlijken lijkt een logische factor in dit model.
Age: zoals in de eerdere commentaren op de vorige weblog-post werd aangegeven, is de leeftijd (ofwel de generatie) van de gebruiker een factor omdat jongere mensen vaak al gewend zijn aan o.a. instant messaging, social networks, wikis en weblogs. Dit kwam ook terug
Anticipated reciprocal relationships: ofwel het verlangen van het individu om relaties te onderhouden. Dit lijkt ook een grote rol te spelen in het gebruiken van technologieën als social networking, weblogs, etc.
Self-efficacy: dit is de mate waarin een individu denkt waardevol te zijn voor de organisatie. Dit kan een invloed op de acceptatiegraad want als iemand denkt dat zijn kennis waardevol is zal hij ook eerder geneigd zijn om deze te delen middels een wiki of een blogpost. Niet in de minste zin omdat dit ook een zekere status als expert met zich meebrengt die de eigenwaarde van het individu weer bevestigt.
Team characteristics
Type of leadership: de rol van een teamleider lijkt belangrijk, als een teamleider niet gelooft in een nieuw platform, zal hij/zij zijn teamleden niet gauw stimuleren om het platform te gebruiken.
Interpersonal trust: als teamleden elkaar onderling niet vertrouwen zijn ze ook minder snel geneigd om kennis te delen aangezien deze kennis wellicht aangewend kan worden voor doelen waar zij volgens de bron niet voor bedoelt zijn.
Multicultureness: in de literatuur wordt multicultureness niet als een hindernis gezien voor de acceptatiegraad (anders dan ikzelf had verwacht overigens). Aangezien non-verbale gebaren niet of nauwelijks kunnen worden doorgegeven in collaboratiesoftware en non-verbale gebaren verschillend zijn in verschillende culturen, zullen multiculturele eerder geneigd zijn om collaboratiesoftware te gebruiken dan uniculturele teams. Gedragscodes helpen hierbij.
Group-efficacy: is het team-equivalent van self-efficacy – het geloof dat het team waardevol voor organisatie is. Onderzoek heeft uitgewezen dat group-efficacy een positief effect heeft op de frequentie van communicatie en collaboratiesoftware geeft extra mogelijkheden tot communicatie, daarom verwacht ik dat group-efficacy een positieve invloed heeft op de acceptatiegraad.
Team virtualness: Dit refereert naar de mate waarin het team geografisch gescheiden is en gescheiden aan taken werkt. Dit leidt tot een noodzaak voor virtuele communicatie-media en heeft daardoor een grote invloed op de acceptatiegraad.
Team member prearrangement: als een team niet is samengesteld door het team zelf, maar door derden (meestal hoger in rang), ontstaat er vaak frictie tussen de teamleden en zijn ze minder geneigd om samen te werken. Dit heeft weer een negatieve invloed op de acceptatiegraad.
Level of offline communication: de mate waarin het team face-to-face communiceert heft een positieve invloed op de acceptatiegraad omdat dit een beter inzicht geeft van de toegevoegde waarde van collaboratiesoftware.
Organizational characteristics
Fairness: het gevoel dat men elkaar eerlijk behandelt binnen de organisatie zal iemand eerder laten deelnemen aan kennisdeling door middel van collaboratiesoftware omdat hij/zij niet bang is dat iemand anders er met de credits vandoor gaat.
Innovativeness: dit refereert naar de mate dat iemand denkt dat de organisatie het stimuleert om nieuwe ideeën te proberen en dat het geen ramp is als een dergelijk idee geen succes wordt. Dit kan een positieve invloed hebben op de acceptatiegraad omdat collaboratiesoftware geschikt is om informatie uit te wisselen en te sparren/brainstormen over nieuwe ideeën.
Affilliation: dit refereert naar de mate waarin een organisatie pro-social is, dwz werknemers proberen elkaar te helpen. Dit heeft een positieve invloed op de acceptatiegraad omdat collaboratiesoftware een middel biedt om anderen te helpen.
Organizational support: de mate waarin een organisatie de collaboratiesoftware ondersteunt is een belangrijkefactor voor de acceptatiegraad. Denk hierbij aan trainingen en helpdesks.
Extrinsic reward program: geldbonussen kunnen een positieve invloed hebben op de acceptatiegraad van collaboratiesoftware.
Technology characteristics
Social presence: dit refereert naar de mate waarin een medium fysiek en audiovisueel contact kan overbrengen. Als collaboratiesoftware meer social presence heeft, zal dit waarschijnlijk een positievere invloed hebben op de acceptatiegraad omdat de software dan meer overeenkomt met de traditionele manier van samenwerken (face-to-face).
Media richness: enigszins gerelateerd aan social presence is media richness. Hoe rijker het medium, hoe minder tijd een gebruiker nodig heeft om de boodschap over te brengen. Een rijker medium heeft hierdoor een positievere invloed op de acceptatiegraad.
Task characterstics
Skill variety: als de taak een breed scala aan skills/kennis nodig heeft om te worden afgerond, zal dit een positieve invloed hebben op de acceptatiegraad van collaboratiesoftware, omdat deze software toegang biedt tot de skills en kennis van collega’s
Feedback from the task itself: collaboratiesoftware geeft de mogelijkheid om direct feedback te geven op de activiteiten van anderen, dus als een taak veel feedback nodig heeft zal dit een positieve invloed hebben op de acceptatiegraad.
Dealing with others: logischerwijs heeft de mate waarin er samengewerkt moet worden om een taak te voltooien een relatief grote rol in de acceptatie van collaboratiesoftware.
Culture characteristics
Individualism vs. Collectivism: aangezien collectivistische culturen van nature meer de neiging hebben om samen te werken, zullen zulke culturen eerder gebruik maken van collaboratiesoftware.
Long-term vs. short-term orientation: hoe erg softwareleveranciers hun best doen om software intuïtief te maken, het zal gebruikers altijd een bepaalde tijd en moeite kosten om de software te kunnen gebruiken. Culturen met een korte termijn visie zullen minder snel geneigd zijn om deze tijd en moeite te investeren en daarom ook minder snel van collaboratiesoftware gebruik maken als ze een alternatief hebben wat veel sneller werkt (bv. telefoon of email).
Masculinity vs. femininity: mannelijke culturen zijn meer ego-centrisch en minder gericht op delen (waaronder het delen van informatie). De acceptatiegraad zal daarom hoger zijn in vrouwelijke culturen.
| |
RSS feed
| Trackback URI
| | |
Hoi, leuk, ik wil nog een keer meer gedetailleerd de lijst lezen. Een snelle opmerking: je hebt het vooral over factoren die maken dat een werknemer wel of niet open staat voor sociale media. Hiermee zeg je niets over het introductieproces zelf. Ik denk zelf dat een belangrijke factor voor het introductieproces is of een management team er zelf mee experimenteert/aan de slag gaat en een visie heeft. Ik vermoed dat dan de organisatie vanzelf wel volgt. Of ga jij uit van de situatie waar de introductie van de werknemers zelf uit moet gaan?
Hoi Joitske!
Dit is een goed punt, ik heb hier wel over nagedacht, maar nog geen beslissing genomen in welke context dit onderzoek plaats gaat vinden. Soms beslissen personen of teams zelf welke tools/software ze gebruiken, en soms legt het management team (MT) dit inderdaad op (en dan is de voorbeeldfunctie denk ik ook heel belangrijk). Wat denk jij/jullie dat er meer voor komt, teamkeuze of MT-keuze?
Oh ja, ik mis iets over leerstijlen/voorkeuren. Ik heb zelf de indruk dat dit een heel belangrijke factor is. Openstaan voor experimenteren, niet bang voor technologie (dus meer beta toch). (meer dan leeftijd, tja, ik ben gewoon zelf OUD).
Ha Joitske, leuk dat je zo actief reageert!
Openstaan voor expirementeren valt mijns inziens onder technology readiness; ben je bereid en vind je het leuk om met nieuwe technologie aan de slag te gaan? Ik verwacht inderdaad ook dat dit effect sterker is dan leeftijd. Leeftijd zegt natuurlijk wel iets over de tijd waarin iemand is opgegroeid. Ik lees op veel verschillende blogs dat de generatie Y (voornamelijk kinderen van babyboomers) is opgegroeid met instant messaging, weblogs, wikis, sms-en en social networking. Als vervolgens dit soort tools worden ingezet in een bedrijfs-omgeving dan zal deze generatie deze tools eerder gebruiken dan een oudere generatie, simpelweg omdat deze generatie er al bekend mee is.
Ik heb nog wel een vraag: wat bedoel jij precies met leerstijlen?
Hoi, met leerstijlen bedoel ik de voorkeursstijlen die mensen hebben om nieuwe dingen te leren. Er zijn verschillende indelingen. Een ervan (voorkeuren van Robert-Jan Simons) heb ik hier beschreven: http://www.joitskehulsebosch.nl/?p=8
Wbt upward of downward introductie: geen idee. Ga jij een onderzoek doen? (onderzoek dat ff :).
[…] organisatie zijn onderzoek gestart omtrent social groupware. Inmiddels heeft hij een interessant model ontwikkelt wat de factoren uiteenzet die bijdragen tot de acceptatie van software in het algemeen. […]